Op 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2026:25 en ECLI:NL:HR:2026:82) zich uitgesproken over vaste reiskostenvergoedingen tijdens de coronaperiode in combinatie met het Individueel keuzebudget (IKB). De kernvraag is: geldt de coronagoedkeuring ook wanneer werknemers via het IKB kiezen voor een reiskostenvergoeding?
Deze arresten zijn relevant voor veel werkgevers, met name in sectoren waar het IKB een vast onderdeel van het arbeidsvoorwaardenpakket vormt, zoals bij overheden en onderwijsinstellingen.
De Hoge Raad heeft een duidelijke lijn neergezet. Tegelijkertijd betekent dit niet dat discussies met de Belastingdienst over dit onderwerp per definitie kansloos zijn.
Achtergrond: hoe luidde de coronagoedkeuring voor reiskosten?
Toen in maart 2020 de coronapandemie uitbrak, veranderde het woon-werkverkeer van werknemers abrupt. Veel werknemers werkten ineens thuis, terwijl werkgevers vaak een vaste reiskostenvergoeding betaalden op basis van een vast reispatroon.
Normaal gesproken zou zo’n vergoeding moeten worden aangepast wanneer de werknemer in de regel niet meer naar een vaste werkplek reist. Dat is het geval als 2 maanden niet meer naar de vaste werkplek wordt gereisd. In die gevallen dient de vaste reiskostenvergoeding stopgezet te worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij langdurige ziekte of onbetaald verlof.
Dit was ook het geval in de coronaperiode, waarin werknemers noodgedwongen vanuit huis moesten werken. Op basis van de wettelijke regeling zouden alle werkgevers, behoudens bij werknemers met een essentiële beroep, na een periode van twee maanden de vaste reiskostenvergoeding stop moeten zetten.
Omdat deze uitkomst onwenselijk was, heeft de staatssecretaris goedgekeurd dat werkgevers de bestaande vaste reiskostenvergoedingen mochten blijven doorbetalen alsof werknemers nog volgens het oude patroon reisden. Dit geldt alleen voor situaties waarin aan werknemers al een (vaste) reiskostenvergoeding werd gegeven vóór 13 maart 2020.
Hoe werkt een IKB in samenhang met de reiskostenvergoeding?
Werknemers van overheidsinstellingen hebben recht op een IKB. Een IKB is feitelijk niets anders dan een reservering van het loon, waarbij de werknemer de keuze heeft dit aan te wenden voor een bepaald vooraf vastgesteld doel. Of en in hoeverre werknemers gebruikmaken van het IKB hebben zij zelf in de hand. Deze keuze kunnen werknemers maandelijks maken, maar dit kan ook in een keer aan het einde van het jaar zijn.
Een doel waaraan het IKB kan worden besteed, is de uitruil van reiskosten. Daarbij wordt opgemerkt dat reiskosten alleen kunnen worden uitgeruild als dit als zodanig is opgenomen in de individuele regeling van de werkgever. Niet alle organisaties bieden de mogelijkheid om reiskosten te uit te ruilen, omdat zij bijvoorbeeld maandelijks een netto reiskostenvergoeding betalen aan werknemers.
Werkgevers kunnen een belastingvrije vergoeding van € 0,23 per kilometer (€ 0,19 in 2020) betalen aan werknemers. Dit kan op basis van de werkelijke kilometers of op basis van de praktische regeling waarbij wordt aangenomen dat werknemers in de regel naar een vaste plek reizen.
Bij een IKB kan (achteraf) gekozen worden voor een uitruil van brutoloon voor een netto vergoeding. In een normale situatie, waarin daadwerkelijk wordt gereisd, geldt dat de gerichte vrijstelling van € 0,23 per kilometer kan worden toegepast. In de gevallen waarin reiskosten wél konden worden uitgeruild via het IKB is de vraag: kan deze uitruil onbelast plaatsvinden? Dit is van belang omdat feitelijk niet wordt gereisd door werknemers.
Rechtspraak laat een verdeeld beeld zien
De rechtspraak van lagere rechters liep hierover uiteen. Hierover is meer informatie te vinden via https://efkbelastingadviseurs.nl/naheffingsaanslagen-bij-het-individueel-keuze-budget-hoe-kan-dat/.
Sommige rechters vonden dat de coronagoedkeuring ook kon gelden voor reiskostenvergoedingen die via het IKB werden gekozen. Het IKB-systeem bestond immers al en maakte onderdeel uit van het arbeidsvoorwaardenpakket. Andere rechters oordeelden juist dat er pas een recht op een reiskostenvergoeding ontstaat op het moment dat een werknemer daadwerkelijk kiest voor die vergoeding. Die verdeeldheid was uiteindelijk aanleiding voor cassatie bij de Hoge Raad.
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad heeft de lijn bevestigd dat het moment waarop het recht op de reiskostenvergoeding ontstaat doorslaggevend is. De belangrijkste overwegingen zijn:
- De coronagoedkeuring geldt alleen voor bestaande vaste reiskostenvergoedingen.
- Er moet op 13 maart 2020 al een recht op die vergoeding bestaan.
- Bij een IKB-regeling ontstaat dat recht pas wanneer de werknemer daadwerkelijk kiest voor de reiskostenvergoeding.
- Wordt die keuze pas na 13 maart 2020 gemaakt, dan valt de vergoeding niet onder de coronagoedkeuring.
De Hoge Raad volgt daarmee de gedachte dat een IKB-budget op zichzelf nog geen recht op een reiskostenvergoeding oplevert. Dat recht ontstaat pas bij de concrete keuze van de werknemer.
Een naheffingsaanslag betekent niet automatisch dat de discussie voorbij is
De Belastingdienst heeft eind 2025 naheffingsaanslagen opgelegd, ter behoud van rechten. Veel bedrijven hebben daar pro forma bezwaar tegen aangetekend. Op dit moment breekt de fase aan waarin inhoudelijk bezwaar moet worden ingediend. De vraag is dus na deze arresten: is dat nog zinvol?
Hoewel de Hoge Raad een duidelijke richting heeft gegeven, betekent dit niet dat iedere naheffingsaanslag automatisch standhoudt. In de praktijk blijft veel afhangen van de feiten en omstandigheden binnen de organisatie.
Zo kan de inrichting van het interne beleid een belangrijke rol spelen. Relevant kan bijvoorbeeld zijn hoe de IKB-regeling juridisch is vormgegeven, of werknemers feitelijk al een bestaande aanspraak hadden op een reiskostenvergoeding en of de IKB-keuze slechts een administratieve vormgeving was van een bestaande arbeidsvoorwaarde.
Daarnaast is het belangrijk om goed te kijken waar de Belastingdienst precies tegen naheft. In de praktijk gaat het meestal om de vraag of de werkgever de gerichte vrijstelling voor reiskosten terecht heeft toegepast. De Belastingdienst stelt in dat geval dat geen recht bestond op een onbelaste vaste reiskostenvergoeding, bijvoorbeeld omdat het recht daarop volgens haar pas na het uitbreken van de coronacrisis is ontstaan.
Het is daarom van belang om goed te analyseren wat de Belastingdienst precies corrigeert en welke redenering daaraan ten grondslag ligt. Ook daarbij kunnen de feitelijke inrichting van de regeling en het interne beleid van de werkgever een belangrijke rol spelen.
De juridische beoordeling kan per grondslag verschillen. Het is daarom belangrijk om eerst scherp te krijgen wat de Belastingdienst precies corrigeert en waarom. Afhankelijk daarvan kan het nog steeds zinvol zijn om inhoudelijk bezwaar aan te tekenen.
Conclusie
Met de arresten van 23 januari 2026 heeft de Hoge Raad duidelijkheid gegeven over de toepassing van de coronagoedkeuring bij reiskostenvergoedingen via het IKB. Het moment waarop het recht op de vergoeding ontstaat, blijkt daarbij doorslaggevend.
Tegelijkertijd betekent dit niet dat discussies met de Belastingdienst automatisch kansloos zijn. De feitelijke inrichting van de regeling, het interne beleid van de werkgever en de grondslag van een eventuele naheffingsaanslag kunnen nog steeds van grote invloed zijn op de uitkomst.
Zoals zo vaak in het loonbelastingrecht geldt ook hier: de feiten maken het verschil.
Meer weten?
Bij het uitruilen van arbeidsvoorwaarden binnen een IKB heb je te maken met de werkkostenregeling. In mijn training WKR – van hoofdpijndossier tot praktische toepassing besteed ik hier uitgebreid aandacht aan. Deze training wordt regelmatig klassikaal gegeven, maar is ook mogelijk als inhouse training. De inhoud van de training is afgestemd op HR-afdelingen, salarisadministraties en finance teams.